Als ZZP’er heb ik nog maar één opdrachtgever. Ben ik dan ondernemer?

Stel: je hebt als ZZPér nog maar één opdrachtgever. Dit komt natuurlijk gauw voor wanneer je voor jezelf net bent gestart. Je hebt voor de werkzaamheden een VAR-verklaring aangevraagd en gekregen. Toch wordt je door de Belastingdienst niet als ondernemer aangemerkt, omdat je maar één opdrachtgever hebt. Jouw opdrachtgever zal toch loonheffingen en premies moeten betalen en je kunt niet de fiscale voordelen genieten. Advies: laat je niet meteen overbluffen door de Belastingdienst, wanneer u slechts één of twee opdrachtgevers hebt.

Het gerechtshof in Leeuwarden heeft op zich op 17 april 2012 in een Hoger Beroep zaak (LJN: BW3261) hierover uitgesproken. Het hof heeft toen besloten dat een ondernemer met één opdrachtgever wel degelijk als ondernemer kan worden aangemerkt. Ook met één opdrachtgever loopt je namelijk risico’s zoals het mogelijk wegvallen van de omzet, aansprakelijkheid en debiteurenrisico. Laat je dus niet zomaar overbluffen door de Belastingdienst, wanneer je slechts één of twee opdrachtgevers hebt. De rechtspraak heeft immers uitgewezen dat niet het aantal opdrachtgevers jou doet aanmerken als ondernemer, maar dat er eveneens naar andere zaken gekeken moet worden die van belang zijn om ondernemer te zijn.

De beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt onder ondernemer verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtsreeks wordt gebonden voor verbintenissen betreffende die onderneming.

4.2 Bij beoordeling van de vraag of sprake is van een onderneming als bedoeld in artikel 3.4 van de Wet IB 2001 moet, naar vaste jurisprudentie, onder meer worden gelet op:
a. de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden;
b. de grootte van de bruto-baten;
c. de winstverwachting;
d. het lopen van (ondernemers)risico;
e. de beschikbare tijd;
f. de bekendheid die naar buiten aan de werkzaamheid wordt gegeven;
g. het aantal opdrachtgevers; en
h. het spraakgebruik.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat de duurzaamheid en de omvang van de werkzaamheden, de grootte van de bruto-baten, de winstverwachting en de beschikbare tijd in voldoende mate aanwezig zijn om te oordelen dat een onderneming in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt gedreven. De punten onder d, f, g en h houden partijen wel verdeeld.

4.4 Naar het oordeel van het Hof geldt als ondernemersrisico ten aanzien van belanghebbende het risico van wegvallen respectievelijk van het niet binnenhalen van opdrachten, het debiteurenrisico en het aansprakelijkheidsrisico jegens opdrachtgevers. Belanghebbende heeft, na het beëindigen van zijn dienstbetrekking bij een derde, mondelinge overeenkomsten van onderaanneming afgesloten met C. In 2007 en 2008 heeft belanghebbende hoofdzakelijk voor deze opdrachtgever gewerkt. Belanghebbende heeft daarbij het risico gelopen van het wegvallen van opdrachten van C. Bij de voortgang van de onderneming heeft belanghebbende – naar blijkt – ook andere opdrachten verworven en daarmee zijn debiteurenrisico gespreid. In het jaar 2009 heeft belanghebbende voor ten minste zes opdrachtgevers gewerkt. Het werken voor hoofdzakelijk één opdrachtgever in de jaren 2007 en 2008 kan niet los worden gezien van de door belanghebbende in de jaren daarna uitgevoerde werkzaamheden voor meerdere opdrachtgevers. Het in de loop van de tijd werken voor meerdere opdrachtgevers is een gebruikelijke gang van zaken bij een startende ondernemer. De omstandigheid dat belanghebbende ter zake van zijn werkzaamheden voor C debiteurenrisico heeft gelopen, heeft zich geopenbaard in het jaar van het faillissement van C. Ten slotte acht het Hof een aansprakelijkheidsrisico aanwezig, nu belanghebbende ombetwist heeft gesteld dat indien de door hem voor C uitgevoerde werken die niet naar behoren waren uitgevoerd, belanghebbende deze voor eigen rekening diende te herstellen.

4.5 Vaststaat dat belanghebbende staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Daarmee heeft belanghebbende naar buiten toe bekendheid aan zijn werkzaamheden gegeven. Dat deze bekendheid tot een kleinere kring van opdrachtgevers is beperkt, heeft niet in de weg gestaan aan het verwerven van nieuwe opdrachten, waarvoor belanghebbende ter zitting als reden heeft gegeven dat aan zijn werkzaamheden bekendheid is gegeven door mond-op-mondreclame.

4.6 Onder de voornoemde omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat voor rekening van belanghebbende een onderneming wordt gedreven en dat belanghebbende rechtstreeks wordt gebonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Hieraan doet niet af dat belanghebbende ten dele de bedrijfsauto en gereedschap van C heeft gebruikt.

Voor de hele uitspraak klik hier